Ik gaf mijn broertje een kaart
met geld, omdat hij het spaart.
Het geld was besmeurd,
in tweeën gescheurd.
Nu is het het dubbele waard.

Ik schreef ooit een prachtig gedicht,
waarin ook een fout werd belicht.
Ik sprak het goed uit,
volmondig en luid.
Maar bleek dat het einde niet rijmde.

Een limerick die ik hard sloeg,
brak en eindigt te vroeg.